Categorie: "Prehistorische dieren"

Ook dinosauriërs hadden al last van teken

Foto: Peñalver et al., 2017, Nature Communications

Teken zijn tegenwoordig een bron van onaangename jeukplekken en extreem vervelende ziektes als Lyme. Maar de notoire parasieten kropen ook al rond toen de dinosauriërs nog over de aarde heersten. Wetenschappers hebben onlangs  in het blad Nature Communications namelijk een aantal teken beschreven, waaronder een tot dusver onbekende soort die naar de beroemde vampier Dracula is vernoemd. De beestjes zijn ontdekt in stukken barnsteen die afkomstig zijn uit Myanmar. De insecten dateren van 99 miljoen jaar geleden. In één fossiel houdt een teek een veertje vast. Die behoort vermoedelijk toe aan een gevederde dino uit het Krijt (145 tot 66 miljoen jaar geleden). Een exemplaar van de Deinocroton draculi, wat ‘verschrikkelijke Draculateek’ betekent, zat zo vol met bloed dat hij acht keer zo groot was als een hongerig zusje.

Gevederde dinosauriërs konden behoorlijk pluizig zijn

Illustratie: Rebecca Gelernter/University of Bristol

Het is al langer bekend dat het aloude beeld van dinosauriërs als louter geschubde oerdieren niet altijd correct is. Veel soorten waren namelijk vrijwel zeker met veren getooid. Nieuw onderzoek aan uitzonderlijk goed bewaard gebleven fossielen van de vogelachtige dino Anchiornis suggereren dat het uiterlijk van gevederde soorten zelfs heel opmerkelijk kon zijn. Tussen de contourveren (de veren die het lichaam bedekken) ontdekten de paleontologen zelfs nog een geheel nieuw type veer. De veer had een korte pen, waaruit lange ‘draden’ (ook wel baarden genoemd) ontsprongen. Dergelijke veren moeten Anchiornis een pluizig voorkomen hebben gegeven, zo stellen de onderzoekers.

Pasgeboren pterosauriërs konden nog niet vliegen

Illustratie: John Conway, Wikimedia Commons/CC BY-SA 3.0

Pasgeboren pterosauriërs konden nog niet vliegen, maar wel al lopen. Die conclusie trekken onderzoekers in een pas verschenen paper nadat ze een verzameling van meer dan tweehonderd eieren van de vliegende reptielen bestudeerden. Het is best bijzonder dat er zoveel eieren geanalyseerd konden worden. Tot op heden zijn namelijk slechts een handjevol eieren van pterosauriërs onderzocht: drie uit Argentinië en vijf uit China. Hierdoor was het niet mogelijk om echt goede conclusies te trekken over het doen en laten van deze diergroep. Maar toen er 215 pterosauruseieren in China werden ontdekt, kon het onderzoek worden vervolgd. De onderzoekers gebruikten computertomografische scans om een kijkje te kunnen nemen in de eieren. Zestien stuks bevatte embryonale, maar niet meer compleet intacte resten. In het meest complete embryo ontdekten de paleontologen een deel van een vleugel en schedelbeenderen, waaronder een complete onderkaak. De belangrijkste conclusies: de ontwikkeling van een pterosauriër nam behoorlijk wat tijd in beslag (een jong dier was al twee jaar oud, maar nog steeds niet uitgegroeid) en de borstspier van een embryo was nog niet voldoende ontwikkeld om vliegen mogelijk te maken.

Prehistorische reuzenotter domineerde Chinese moerassen

Illustratie: Mauricio Anton

Siamogale melilutra, een enorme otter die ongeveer het formaat had van een hedendaagse wolf en zo’n vijftig kilo op de weegschaal bracht, leefde zes miljoen jaar geleden in de moerassen van zuidwestelijk China en was waarschijnlijk een dominant en formidabel roofdier. Tot die conclusie komen paleontologen nadat ze de kaken van het prehistorische zoogdier hebben onderzocht. De gigant kon zelfs met gemak schelpdieren of de botten van vogels en andere zoogdieren fijnmalen. Dat is op zich opvallend, want voor hedendaagse otters geldt juist dat kleine soorten in relatief opzicht sterkere kaken hebben dan hun grotere verwanten.

Fossiele resten van oerbos gevonden op Antarctica

Foto: Lyubomir Ivanov, Wikimedia Commons/GPL

Op Antarctica zijn fossiele resten van een oeroud bos gevonden. Het woud bedekte circa 260 miljoen jaar geleden, dus nog voordat de dinosauriërs hun opwachting maakten op het evolutionaire toneel, delen van de Zuidpool. Destijds bestond de landmassa op aarde nog uit twee continenten, Gondwanaland in het zuiden en Laurazië in het noorden. Antarctica maakte, samen met gebieden als het huidige Zuid-Amerika, Afrika, India en Australië, deel uit van Gondwanaland. Het gebied was destijds warm en vochtig en werd bevolkt door mossen, varens en overwegend kleine dieren.

Korte armpjes van Tyrannosaurus hadden hoogstwaarschijnlijk toch functie

De voorarmpjes van de beruchte Tyrannosaurus rex, die piepklein zijn in verhouding tot de rest van het lichaam, worden vaak afgedaan als deels rudimentaire ledematen zonder echte functie. Paleontoloog Steve Stanley denkt daar op basis van recent onderzoek echter heel anders over. Volgens hem wijzen zeker zes kenmerken erop dat de armpjes van T. rex zeker een functie hadden. Sterker nog: ze waren volgens de Amerikaan zelfs van cruciaal belang tijdens de jacht. Volgens Stanley gebruikte de vleesetende dinosaurus zijn korte armen bijvoorbeeld wanneer hij op de rug van een prooidier sprong of een slachtoffer tussen zijn krachtige kaken had geklemd. Met de armpjes – die elk waren uitgerust met twee grote klauwen – kon een Tyrannosaurus binnen een paar seconden vier diepe, meer dan één meter lange wonden aanbrengen in het lichaam van zijn ongelukkige prooi. Ondanks hun bescheiden formaat, waren de voorpoten van Tyrannosaurus rex vermoedelijk enorm sterk omdat ze werden ondersteund door een bundel ijzersterke spieren.

Verdwijnen dinosauriërs maakte van nachtactieve zoogdieren dagdieren

Dat veel zoogdieren (waaronder wijzelf) tegenwoordig overwegend dagactief zijn, is grotendeels te danken aan het verdwijnen van de dinosauriërs. Voordat de reuzenreptielen circa 66 miljoen jaar geleden definitief van de aardbodem verdwenen, waren alle zoogdieren nachtwezens. Logisch natuurlijk, want onder de deken van het nachtelijk duister was de kans kleiner dat de kleine warmbloedigen ten prooi vielen aan vleesetende dinosauriërs. Toen het dinogevaar verdween, konden de zoogdieren steeds vaker overdag actief worden. Die overgang duurde een paar miljoen jaar. Britse en Israëlische wetenschappers hebben de tijd die de verandering in beslag nam berekend en schrijven erover in het wetenschapsblad Nature Ecology & Evolution.

Fossiel van prehistorische dolfijn gevonden in Westerschelde

Foto: Natuurhistorisch Museum Rotterdam

Onderzoekers van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam hebben tijdens een expeditie op de Westerschelde het fossiel van een nog onbekende prehistorische dolfijn gevonden. Het gaat om een verre voorouder van de La Plata-dolfijn (Pontoporia blainvillei), een soort die tegenwoordig leeft voor de kust van Zuid-Amerika. De vodst wordt beschreven in een vorige week gepubliceerde studie in het tijdschrift PeerJ. Onderzoekers.van het Rotterdamse museum stuitten tijdens een expeditie in het voorjaar van 2014 op een goed bewaard gebleven gefossiliseerde schedel van een voor hen onbekende prehistorische dolfijn. De schedel, waarvan de snuit was afgebroken, mat in totaal 21,2 centimeter.

Mannelijke mammoeten verongelukten vaker dan vrouwtjes

Onderzoekers van het Zweedse Museum of Natural History deden een opvallende ontdekking toen ze 98 fossielen van mammoeten onder de loep namen. Zeven van de tien onderzochte mammoetresten bleken aan mannetjes toe te behoren. Wat is de oorzaak van die scheve geslachtsverhouding? Omdat skeletdelen van mammoeten maar zelden goed bewaard blijven, is het waarschijnlijk dat de in verschillende delen van Siberië gevonden fossielen begraven waren onder het oppervlak. Op die manier waren ze beter beschermd tegen weersinvloeden. De nieuwe bevindingen impliceren dat mannelijke mammoeten vaker stierven op een manier waardoor het stoffelijke overschot werd begraven. Zo zou het best kunnen dat ze in de winter door het ijs van een meer zakten of dat ze kwamen vast te zitten in moerrassen. Die constatering is in lijn met de manier waarop de dieren leefden.

Reuzenwombats migreerden vele kilometers per jaar

Illustratie: Dmitry Bogdanov, Wikimedia Commons/CC BY 3.0

De reuzenwombats (het geslacht Diprotodon)) die circa 300.000 jaar geleden het gebied bewandelden dat we nu Australië noemen, migreerden elk jaar over grote afstanden. De buideldieren legden op jaarbasis zo’n tweehonderd kilometer af. Opmerkelijk, want het zijn de eerste buideldieren waarvan bekend is dat ze jaarlijks migreerden. Paleontologen bestudeerden bij hun onderzoek enkele fossielen van reuzenwombats. Ze boorden gelijkmatig gaatjes in de tanden van de dieren en voerden een chemische analyse op de fossielen uit.